boek
 x 
icon_twicon_fbicon_yt
03.jpg

dinsdag 13 juli 2010

 

Het is niet alles goud wat er blinkt in de Leidse Koorboeken! Vandaag heb ik dat tot mijn verdriet moeten constateren, nota bene in een serie bij elkaar behorende motetten: de acht anoniem overgeleverde nunc dimittis-zettingen, volgens Eric Jas de enig bekende volledige reeks (op elke kerktoon één) uit de renaissance. Ik had me er zeer op verheugd en ze stiekem al een plaats gegeven op de cd. Maar de kwaliteit is bedroevend. Goed bedoeld provinciaal amateurwerk. Men had in Leiden schijnbaar behoefte aan polyfone zettingen van de lofzang van Simeon, voor de completen, en wellicht heeft een locale componist of misschien zelfs één van de zangmeesters, tot dat doeleind deze gebruiksmuziek gecomponeerd. Hoe dan ook, de kwaliteit is amateuristisch, weinig hemelbestormend broddelwerk, met hier en daar fikse (zij het nog enigszins verkapte) octaaf- en kwint parallellen. Zegge en schrijve één komt er met pijn en moeite door mijn toch niet al te zware eerste selectiecriteria. Ik vind vooralsnog dat er althans één zo’n nunc dimittis op de cd moet, om ook een beeld van de dagelijkse praktijk van het Leidse getijdencollege te geven, maar als de overvloedige kwaliteit van de overige stukken zo groot blijft, ben ik toch bang dat ze vanwege plaatsgebrek moeten sneuvelen. Jammer. Ik twijfel er zelfs aan of ik het oorspronkelijke plan, om ze integraal in een Egidius uitgave te presenteren, wel zal volvoeren.

Zondag 11 juli 2010

Ik kijk niet naar de WK voetbal; bijgeloof. Ik heb het moeilijk. Als ik kijk verliezen ze zo wie zo, maar nu de inktvis in Oldenburg de zege voor Spanje heeft voorspeld kijk ik ook niet omdat ik denk dat daarmee de kans dat het beest zich heeft vergist zou kunnen toenemen. Als een idioot ga ik weer door alle magnificats heen in de hoop hiermee mijn zenuwachtigheid te kunnen bestrijden. Het lukt, maar met moeite. Ik schiet er qua selectie niet heel veel mee op. Slechts twee Clemens magnificats komen (om pragmatisch/praktische redenen) niet op de longlist. De overige zes dus wel. Uitstel van executie, want over een maand moet ik toch echt kiezen. De anonieme zijn wel afgevallen. Bij de vermoedelijke Mouton schreef ik: “wel een grappig stuk, met volledige uitbuiting van het drieklankmotief. Niet makkelijk om in tune te zingen lijkt me. Fecit potentiam heeft een leuke, modern aandoende quasi ostinato bas. Met de dominante hoge superiuspartij wel erg publieksvriendelijk. Toch ... eh, nee.” Niet een erg gefundeerde en musicologisch onderbouwde argumentatie, ik geef het toe. De andere twee kregen met woorden van gelijksoortige strekking de rode kaart. Zuchtend keek ik naar het staartje van de verlenging, en ja hoor: Spanje-Nederland 1-0.

Zaterdag 10 juli 2010

Het is vakantietijd. In de schaduw onder een boom maar weer eens nagelezen hoe het toch precies zat met color, mensuurtekens, kerktonen, enz. Ik herlees in Grijp en Scheepers’’Van Arsitoxenos tot Stockhausen’ de uitstekende  appendices over toonsystemen, proportieleer en mensurale notatie. Nu ik toch bezig ben ook maar de voortreffelijke resumé’s (hoofdstukken) betreffende Boethius, Guido van Arezzo, Gaffurius, Glareanus, Vicentino, Zarlino en Cerone. Het is goed om alles waar je van dacht dat je het al wist nog weer eens over te lezen. Wat vergeet een mens veel.

Ik ben bezig met de selectie van de magnificats van Clemens. Codex B heeft er acht van hem, op elke kerktoon één. Daarenboven zijn er nog drie anonieme magnificats, waarvan één vermoedelijk van Jean Mouton, en één van Jacotin. Het doorspelen en zingen stelt me voor een waar ‘embarras de choix”. Eigenlijk zijn alle magnificats van Clemens staaltjes van ultiem meesterschap, wat moet je kiezen? En waarom? Of waarom niet? Help! Ik vlucht daarom in mijn standaard- en studiewerken, nog even respijt. Een glas wijn er bij. Nuttige studie gecombineerd met een aangename denk- en verwerkingspauze. De perfecte vakantiedag.

Donderdag 8 juli 2010

In euforie over de 5 (zegge vijf!) anonieme christe qui lux est zettingen in codex B. codex_b_fol_293_christe_klein  Deze korte, tweedelige composities zijn bedoeld voor de completen, het laatste getijde van elke dag. De laatste noten voor het slapen gaan. De sfeer is daarom innig, verstild en meditatief. In principe zijn het telkens de zelfde harmonieën en noten, maar elke composities legt andere accenten, brengt andere ornamentjes aan. En keer op keer is er een soort coda, of afsluiting bij de laatste woorden van deel twee: “Quos sanguine mercatus es.” De lieve, zoete muziek wordt dan nog intenser, nog onthechter. Keer op keer ben ik ontroerd. Ik schrijf in mijn selectielijs dat ze állemaal op de cd móéten. En als er al ergens een Egidius uitgaafje van komt, dan zeker van deze prachtige stukken. Mijn dag is goed.

Dinsdag 6 juli 2010

Het invullen van alle kolommen in de selectielijst, met alle sigla enz is een tijdrovend, maar essentieel, werk. Ik werk voor de voet op. De stukken moeten zich als in de wachtkamer van de dokter voelen; eindeloos wachten tot je aan de beurt bent, en dan is het onderzoek zelf in een zucht voorbij. Het is de administratie van de dokter die zo lang duurt en de wachttijd doet oplopen.

Qua selectie heb ik nu zeker 20 % van de stukken uit codex B gedaan. Een kwart valt om moverende redenen af. De longlijst is dus echt lang.

Uitschieters: natuurlijk Maria Magdalena van Clemens non Papa, maar bijna alles is geweldig van die man. Ik zie dat twee andere werken van Clemens in codex B waar ik onmiddellijk voor viel (Sana me domine en Iherusalem luge) ook zijn opgenomen in het Clemens programma van Huelgas, waar ik helaas niet in meezong. Paul heeft een neus voor fantastische stukken en is op het gebied van programmering geweldig. Niet verwonderlijk dus dat ze op zijn lijst stonden.

Maar ook het anonieme Venite ad omnes mag er zijn, met zijn bizarre contrapuntische escapades die de heer Saleij (zie vrijdag 2 juli) al in 1958 noopten tot het aanbrengen van veelzeggende potloodmarkeringen. saleij_potloodstrepen  En, jawel, langzaam maar zeker leer ik de verre Saleij door zijn aantekeningen en opmerkingen in zijn cahiers een beetje beter kennen. Hij werkte met kleinbeeld-afdrukken. In het derde deel van het anonieme Angelus autem kom ik zijn eerste verschrijving tegen. Let wel; we zitten dan al op de 97ste dichtbeschreven cahierpagina! Hij heeft zijn foutjes bijna onzichtbaar en netjes weggewerkt. Eerst met een mesje het bovenlaagje van het papier weggesneden, dan daar met een fijn pennetje er overheen. Heerlijke, precieze man.

Maandag 5 juli 2010

Tweede deel super flumina getrancribeerd in encore. Mijn enthousiasme van eergisteren over het stuk is enigszins tanende. Het is wel érg uitgesponnen. Maar al transcriberende vroeg ik mij af of het misschien toch niet veel vroeger is dan ik aanvankelijk dacht, misschien inderdaad wel richting Josquin generatie. Dit gaan we eens met ome Jaap (van Benthem) bespreken.

Verder de selectielijst vervolmaakt, met extra kolommen, o.a. voor modus en besleuteling en zeven stukken doorgekeken en gespeeld. Toch al circa 10 % van het totale boek.

Zaterdag 3 juli 2010

Super flumina Babilonissaleij_super_flumina_klein  Het zesde stuk in codex B. Alleen de titel al! Maar als je dan ook nog eens aandachtig door het stuk bladert, passages lezend, lijntjes zingend, weet je gelijk; dít is een bijzondere compositie: Sextsprongen, exclamatie-motieven, faux-bourdons, zich herhalende colorlijntjes, een sesquialtera-passage, geornamenteerde, lange melismatische lijnen. Dit stuk gaat onmiddellijk op de shortlist.

Het is anoniem overgeleverd in het Koorboek. Susato drukte het al in 1546 en liet er ‘Benedictus’ boven zetten, en de Neurenbergse collegae Berg en Neuber namen dat zeven jaar klakkeloos over. Appenzeller? Ik geloof er op grond van de stijl en de gebruikte compositorische en retorische middelen niks van. Dat wordt weer een jaar lang zinloos maar interessant raden. 

Ik was er zo gegrepen dat ik gelijk aan de transcripitie in Encore begonnen ben. Het eerste, zeer lange deel, zit nu in mijn computer. Waauw.

Vrijdag 2 juli 2010

Omdat ik, wat mijn onderzoekjes betreft, een orde-freak ben, neem ik eerst maar eens de hele (gedetailleerde) inhoudsopgave uit Eric Jas’ proefschrift over; alle folio nummers en de verschillende toeschrijvingen keurig onder elkaar. Er staan echter al zoveel aantekeningen bij in de kopie die ik heb van het proefschrift, dat nog meer gekriebel de boel alleen maar zou vervuilen. Bovendien kan ik in het fijne nieuwe word-documentje kleurtjes aanbrengen, en indien nodig naar hartelust dingen toevoegen of weghalen. Gelijk ook maar eens alle oude pdf, encore en scanbestanden geordend. Zo, De Groot is er klaar voor.

 

Nu is het een kwestie van het koorboek compositie voor compositie doorkijken, doorzingen en doorspelen. Gelukkig mag en kan ik gebruik maken van de transcriptie die ene mijnheer B. Saleij in de vijftiger jaren van de vorige eeuw van álle boeken heeft gemaakt.

Met in zijn hand een mooie vulpen heeft de man eerst lijntjes getrokken in een cahier. Vervolgens heeft hij zo precies als een notaris nootje voor nootje in die balken gezet. Het moet een ongelofelijk nauwkeurige en rustige man zijn geweest. Hij verschreef zich vrijwel nooit! Nergens zijn er doorhalingen of correcties. Saleij heeft zich overigens beperkt tot de noten. Nergens heeft hij zich aan beteksting gewaagd. In zekere zin is dat fijn, want zo kan het me ook niet afleiden. Aan de andere kant zou ik benieuwd zijn geweest naar wat zo’n pietjesprecies zou hebben gedaan.

 

saleij_LeidXB_titel_B_klein

 

Soit, het is niet zo en als alle nootjes geselecteerd en getranscribeerd zijn weet ik dat het monnikenwerk van de beteksting op me te wachten ligt. Nog even niet over nadenken. Eerst het notenmateriaal.  

 

In de afgelopen maanden heb ik in verloren treinreismomenten al eens een enkel klein, mij intrigerend motetje getranscribeerd uit dit cahier. Nootje voor nootje in mijn computer-noten-programma-voor-kleuters overgenomen. Al sinds ik een computer heb werk ik, op voorspraak ooit van Hans, met het programma Encore. Het programma, hoewel uitermate simpel en de facto nauwelijks berekend op, of gemaakt voor, polyfone muziek, voldoet tot op de huidige dag (gek genoeg) uitstekend. Ik moet er bovendien niet aan denken mij nu eerst nog maandenlang de in’s en out’s van bijvoorbeeld geävanceerde programma’s als Sibelius of Finale machtig te moeten maken. Er is echter één programma, dat mij pas onder ogen kwam, waar ik toch over denk om er energie en tijd in te stoppen, dat is het recentelijk, speciaal voor renaissance muziek ontwikkelde muziekpropgramma van de Universiteit van Utrecht.  

 

Het eerste stuk uit koorboek B, In nomine JHesu, is al gelijk raak; een topstuk! Gecomponeerd door Cristianus Hollander. Van hem hebben we de afgelopen koorboekeditie ook een stuk opgenomen op de cd; Ego sum panis, een ronkend mannenstuk. Hollander was werkzaam in Brugge, eerst in de St. Salvator, daarna in de Donaaskerk. Hij werd daar wegens slecht gedrag ontslagen en werd vervolgens zangmeester in Oudenaarde waar hij acht jaar lang bleef. Daarna trok hij eerst naar Florence en later diende hij in de keizerlijke kapel van Ferdinand I. 

 

saleij_LeidXB_1e_pag_B_klein  

 

In nomine is geen unicum, het staat ook in een manuscript dat te Leuven wordt bewaard en het werk was in 1556 al te Antwerpen, bij Waelrant & Laet, gedrukt. De Utrechtse letterenbibliotheek van de Universiteit, mijn huisbibliotheek,heeft van die druk gelukkig een microfilm. Dat is voor mij later van belang want zo kan ik zien hoe een kundig en gerenommeerd drukker met sommige betekstingskwesties is omgesprongen. Want hoewel ik mij zo veel mogelijk aan de beteksting van Anthonius de Blauwe, de kopiist van de Leidse Koorboeken, houd, weet ik dat er soms rare of onduidelijke passages op zullen duiken. Dan is het fijn om een contemporain vergelijk te hebben. Overigens is het opmerkelijk hoe dicht De Blauwe doorgaans aansluit bij de versies van verschillende drukken. Vorig jaar heb ik zijn beteksting van Richafort’s Quem dicunt homines (een van de meest verspreide motetten van de zestiende eeuw) vergeleken met alle concordante drukken en manuscripten die er van te vinden waren. Ik had grote verschillen verwacht, maar niets daarvan. Wel opmerkelijke overeenkomsten op plekken die “wij moderne musicologen en zangers” het nooit zó hadden durven opschrijven en wat nochtans in vrijwel alle drukken zo gedaan was. (hier later meer over in een heus artikel).  

Ik had tijdens de eerder genoemde treinreizen al een stukje in Encore gezet, maar het eind ontbrak nog. Dat moest dus eerst maar eens af. Keyboard aangesloten op de computer en vooral erg onmuzikaal spelen, dat is de opdracht. Want muzikaliteit snapt Encore niet, daar komen problemen van.  

 

Inmiddels is het 30 graden Celcius in mijn kamer. Maar Hollander staat er, zij het in ruwe notenversie in. Vanavond de puntjes op de i’s en nog weer later stiekem al even naar ficta kijken. Maar nu is het eerst tijd voor een wandeling door een landerig Parijs.    

 

Dit project wordt mede mogelijk gemaakt door:

 

1-leiden 2-leiden-stad  4-RAL 5-FPK10-Leiden50jaarMonumentenstad_50  cultuurfonds_horizontaal_kleur  max

6-stedelijk-Museum-Leiden 7-cultuurfonds-leiden8-KRO  vsbfonds_rgb