boek
 x 
icon_twicon_fbicon_yt
03.jpg

dinsdagavond 21 september 2010

Ik heb mij aan een problematisch stuk gezet: “Iam bone pastor/Urbs beata Jherusalem/Porte nitent margaritis”. De tekst is ontleend aan twee verschillende hymnen. Iam bone pastor is de eerste strofe van de gelijknamige hymne, welke traditiegetrouw gezongen werd tijdens het wijdingsfeest van een aan de apostelen Petrus en Paulus gewijde kerk. Deze tekst is echter gecombineerd met de strofen 1 en 3 van de kerkwijdingshymne “Urbs beata”. Eric Jas schrijft in zijn proefschrift dat door de combinatie van de drie strofen, die als ‘coupletten’ in zeer klein priegelschrift onder de noten zijn gezet, deze merkwaardige motettekstzetting vermoedelijk speciaal voor gebruik in de Leidse Pieterskerk werd vervaardigd. Nog afgezien van de kwestie hoe, en met welke responsoriale tussenverzen dit uitgevoerd moet worden, is met met name dat priegelschrift problematisch. iam_bone_002a

Het is een puzzel, en ik dacht aanvankelijk dat De Blauwe er een beetje met de pet naar had gegooid, en ‘zo ongeveer’ de incipits van de regels had aangeduid, er op vertrouwende dat de zangers er wel uit zouden komen. Ik ging dus onbekommerd en met de nodige vrijheidneming te werk. Maar ik kwam er niet uit. Ik liep vast met mijn ‘humanistische automatismen’. Tijd voor een goed glas wijn en voor reflectie. Ik kwam er toen achter dat De Blauwe’s beteksting van het “Iam bone pastor”-vers in de superiuspartij, als ik precies zong waar De Blauwe de woorden had neergepriegeld, zéér goed en vanzelfsprekend te zingen was. Ik heb dus weer alles uitgegumd en heb eerst maar eens een streng diplomatische versie gemaakt. De superiuspartij bleek veruit het duidelijkst, in de overige drie partijen bleven er vraagtekens. Toch kon ik op grond van de diplomatische transcriptie met kleine aanpassingen een zeer goede en vanzelfsprekende versie maken.Het was nu wel nachtwerk geworden, maar het was ook een nuttige les!Eerst kijken wat er werkelijk staat, daarbij alle vooringenomen betekstingsautomatismen overboord  gooiend, en dán pas keuzes maken. Niet andersom.Wie zijn wij, met onze door vier en een halve eeuw muziekgeschiedenis ‘vervuilde’ bril, dat we zomaar denken te kunnen doen wat ons goed dunkt?

dinsdagmiddag 21 september 2010

Gisteren en vandaag heb ik zeven stukken in een basispartituur gebracht! Dat wil zeggen; de noten. De euforie houdt onverminderd aan en groeit nog per nieuwe partituur. Dat de “Christe qui lux es” motetjes, bedoeld voor de completen, onaards mooi waren herinnerde ik me nog levendig van de selectie weken. Maar nu de eerste in partituur is gebracht kon ik de aanvechting om ook gelijk maar te beteksten niet weerstaan. De zestiende eeuwse kopiist Anthonius de Blauwe heeft, op één onduidelijke middenpassage na, qua beteksting weer helder, duidelijk, precies en opmerkelijk werk afgeleverd.Andere hoogtepunten beleefde ik bij de transcriptie van de änonieme motetjes “Venite ad me” en “Maria mater”. Het eerste is bijna chansonachtig, en het tweede heeft door zijn nauwe liggingen een fantastische kleur. Uit pure lustbevrediging speel de stukken keer op keer af op mijn computer. Ik zou er het liefst gelijk aan beginnen met de zangers. Maar ik moet nog tot januari wachten.

maandag 20 september 2010

Voor de zevende keer ben ik door mijn bezettingslijst gegaan. Telkens wordt de lijst nog verfijnd, aangepast en verbeterd. Telkens zijn er toch nieuwe inzichten die ogenblikkelijk repercussies hebben op het gestaag in de maak zijnde, uiteindelijke repetitie- en opnamerooster. Ondertussen ben ik toch begonnen aan de transcriptie van de (vele) onuitgegeven anonieme stukken, om zeker te weten dat ik geen vergissingen bega. Terug dus naar de noten. Ik geraak er, al doende, in een lichte vorm van euforie van; wat een prachtige stukken hebben we weer!

zondag 19 september 2010

Inmiddels heb ik fiat gekregen van mijn adviseur Eric Jas. Hij kon zich goed vinden in de stukken die de uiteindelijke shortlist gehaald hebben. Maar het notenwerk had toch al wekenlang stil gelegen vanwege een minstens zo belangrijke klus; het samenstellen van de zangersgroep die al het fraais moet gaan uitvoeren. Per stuk had ik een bezetting bedacht, op grond waarvan zich de uiteindelijke samenstelling van het Egidius college van 2011 aftekende. Met de kwartetleden volgde daarna overleg of we qua zangerskeuze op één lijn zaten, en om alternatieven achter de hand te hebben voor het geval de eerste uitverkorenen niet zouden kunnen, want dát is nog een héél ander verhaal! Ik zal u een beschrijving van de dagelijkse martelgang van vraag en aanbod, van geschuif in repetitieperiodes, van tussentijdse audities en van “eerst niet- en uiteindelijk toch wel” processen besparen. Ik volsta met op te merken dat we er nog niet uit zijn, en de tijd dringt.

dinsdag 10 augustus 2010

Van de eerste van de vijf in het koorboek aanwezige Christe qui lux est zettingen heb ik nu een nette computerversie gemaakt. Door die transcriptie kwam ik er achter dat er in dit stuk twee ‘foute’ noten staan. Opmerkelijk dat mijnheer Saleij, toch een pietjesprecies mannetje, daar geen gewag van maakte. Hij stoorde zich zichtbaar meer aan de verkapte octaaf –en kwintparallellen, die hij, zoals gebruikelijk, met dikke strepen markeerde in zijn transcriptie. Het stuk doorspelende heb ik daar helemaal geen last van, wel van die foute noten.

maandag 9 augustus 2010

Na het Versaillesbezoek heb ik een eerste poging gedaan om een voorlopige shortlist te maken. Die is nu naar Eric Jas, die er het zijne over moet zeggen. Daarna moest ik een concert doen bij en met Ton Koopman, en vervolgens wachtte mij een enorme samenstellingsklus voor een workshop met het Akademisk Kor van Kopenhagen. Maar vandaag ben ik weer terug bij de koorboeken. Ik wil graag het oordeel van Jaap van Benthem over een bijzondere, maar helaas anoniem overgeleverde compositie. In concept doet het zesstemmige stuk laat vijftiende- begin zestiende eeuws aan, maar misschien vergis ik me en is het ‘gewoon’ zestiende eeuws. Het staat echter op een bijzondere plaats in codex B. Na een motet van Clemens non papa volgen twee lege pagina’s, en dan komt er een serie drie Josquin motetten en een motet van Verdelot, vroege motetten dus. Deze reeks wordt geopend met het stuk in kwestie, de anonieme zetting van de paassequens Victimae pascali laudes. Om Van Benthem terwille te zijn ben ik vandaag begonnen met de eerste betekstingswerkzaamheden voor codex B, verreweg het leukste en interessantste werk. Waarom? Daar kom ik later nog wel op terug. In het algemeen kan ik melden dat ik er, om mij moverende redenen, een ‘sport’ van maak de tekst precies te plaatsen waar de tekst staat in de koorboeken. Dat lijkt logisch maar is het geenszins. (wordt later vervolgd). Voor nu rest mij te zeggen dat de scribent/kopiist van codex B, Anthonius de Blauwe, in het algemeen bij dit stuk een zeer heldere en duidelijk beteksting heeft aangehouden. Er is maar één gekke plek. Zo’n plek waar ik niks van De Blauwe snap. Zo heeft ie er wel meer. In een van de tenor partijen, op de plaats waar de zin luidt: Credendum est magis soli mariae veraci quam Judaeorum turbae fallaci (Men moet meer vetrouwen hebben in de waarheidsgetrouwe Maria dan in het misleidend volk van Juda) wordt die op een onlogische plaats afgebroken. Is in de rest van de partijen de mores dat na soli wordt afgebroken, met een rust bijvoorbeeld, hier wordt soli heel onverwacht bij de volgende regel getrokken. Foutje? Afgeleid? Onoplettendheid? Opzet?Voer voor contemplatie en advies.

 

 B_f_152_r_003_det

 

zaterdag 24 juli 2010

Deze week vroegen niet alleen de koorboeken om mijn aandacht. Het moeilijke en tijdvragende wikken en wegen welke stukken naar de eerste shortlist mogen of moeten wisselde ik af met een onderzoek naar de achtergronden van de ‘vers mesurées’, en meer speciaal naar die van het ‘ballet comique de la reyne’ uit 1581, een vijf en een half uur durend spektakel dat werd uitgevoerd tijdens één van de bruiloftsfeest avonden van Marguerite de Lorraine, de (half)zus van de Franse koningin Louise, ten tijde van de regering van haar man, de kunstminnende koning Henri III. (aan wie thans een expositie in het kasteel van Blois is gewijd, die ik aanstaande dinsdag ga bezoeken) En alsof dat nog niet genoeg is lees ik ondertussen het heerlijke, 800 pagina’s tellende derde deel van ‘Duizend jaar weer, wind en water in de lage landen’ van Jan Busiman. Een ‘Fundgrube’ voor mijn inmiddels uitpuilende excellijst met data die de hele zestiende eeuw, per dag!, in kaart wil brengen. Faits divers, zeker, maar ik vind het tóch fijn om te weten dat Leiden, twee jaar voor codex B, in 1557, geteisterd werd door de pest en dat de beroemde Leidse botanicus Clusius niettemin in datzelfde jaar de kastanje als sierboom introduceerde in de lage landen. Maar vandaag niets van dat alles. Hedenmiddag staan de waterwerken in het park van het kasteel van Versailles op het programma.

maandag 19 juli 2010

Ik heb het vanavond eens even bekeken. Ácht composities uit Codex B hebben van die typische “LeidBX” (zie zondag 18 juli) passages. Daaronder zijn drie nunc dimittis zettingen (waar ik zo zwaar teleurgesteld in was, en die dan ook vrijwel allemaal ‘afgekeurd’ zijn). Verder het psalmmotet Festum nunc celebre en een A solis ortus zetting, die ook in het vijfde koorboek voorkomt, codex E, maar daarin is het stuk toegeschreven aan [Joachimus] de Monte, die we kennen uit het eerste koorboek. Precies daarom betwijfel ik of het van De Monte is, want die schrijft vaardiger en joyeuzer en, onder ons gezegd, beter. Als bij zoveel hymne zettingen heeft Anthonius de Blauwe zijn handschrift, in verband met de beteksting van de verzen eronder, behoorlijk moeten verkleinen. Het onder elkaar schrijven van die verzen levert later vast nog interessant materiaal op voor mijn betekstingsonderzoek.

 

codex_b_fol_290v_A_solis_ortus_anon_detail_klein     

 

Het stuk staat voorlopig nog op mijn longlist. Of het daar nu op blijft staan of niet, ik ga later toch die betekstingen kritisch bekijken en inventariseren. Ik ben zeer benieuwd naar de resultaten daarvan. 

Tenslotte kan ik melden dat niet minder dan drié van de vijf, door mij zo geliefde, Christus qui lux est zettingen typische LeidBX kenmerken dragen!  

zondag 18 juli 2010

Alle composities in codex B zijn doorgelezen en tegen het licht gehouden. Op mijn longlist resten toch nog 43 van de 73 stukken in het koorboek. Nu begint een vervelend werk; wat gaat door naar de eerste shortlist? En waarom? Er moeten er eerst nog zeker twintig (!) sneuvelen, vooraleer ik die shortlist voorleg aan mijn adviseurs. Ik neem me ook voor om de aanzienlijke hoeveelheid anonieme motetten in kaart te brengen die gekenmerkt worden door een opvallende vaak terugkerende “stijlfiguur’. Het is meer een ‘binnenkant paal-truc’ die met veel verve en enthousiasme wordt toegepast om kwint- en octaafparallellen te vermijden. Mijnheer Saleij zet er in transcripties grote geërgerde strepen onder om te laten zien dat het wat hem betreft niet onopgemerkt is gebleven.

 

saleij_LeidXB_vb_klein

 

Klaarblijkelijk waren de heren college zangers in de Pieterskerk niet erg recht in de contrapuntische leer. Ik heb de vermoedelijke vervaardiger van die motetjes (vrijwel allemaal hymne zettingen) de codenaam LeidBX gegeven. Zijn het wellicht motetjes die door zangmeester Jacob de Leeuw geschreven zijn? In Eric Jas’ proefschrift lees ik dat het vroegste document waarin De Leeuw in Leiden als zangmeester genoemd wordt dateert van 3 maart 1553. Op 30 oktober wordt hij ook benoemd als één van de vier stadsspeellieden. Hij overleed in augustus 1561. Bij zijn overlijden liet de man een huurschuld na van vijftien maanden. Ik zal me niet bezondigen aan speculatie, maar het is verleidelijk.

donderdag 15 juli 2010

Ik zit op 80% van de grove 1e selectie; ben nu bezig met het doorlezen van het ene anoniem overgeleverde motet na het andere, want na de magnificats (die eindigden op folio 248 recto, zo’n beetje op 3/5e van de codex) zijn er alleen nog maar anoniemen. Het is allemaal wel van een andere orde dan de vele Clemensen in het eerste deel van de codex. Niet oninteressant, want het geeft een kijkje in de repertoirekeuken van mijn Leidse collegae uit de zestiende eeuw. Vandaag bekeek ik lieve, zoete motetjes, in soms zeer nauwe harmonische liggingen. Ik ben er van overtuigd dat we een aantal van deze motetjes, veelal hymne zettingen, misschien geschreven door locale notenschrijvers, bedoeld om lacunes in het locale gebruik op te vullen, op de cd moeten zetten. Ook dit behoort tot de wereld van de Leidse Koorboeken.

 

Dit project wordt mede mogelijk gemaakt door:

 

1-leiden 2-leiden-stad  4-RAL 5-FPK10-Leiden50jaarMonumentenstad_50  cultuurfonds_horizontaal_kleur  max

6-stedelijk-Museum-Leiden 7-cultuurfonds-leiden8-KRO  vsbfonds_rgb