boek
 x 
icon_twicon_fbicon_yt
03.jpg

5 to go

5 januari 2013

Still five Leiden Choirbook D motets of 20 (!) to study. Next tuesday we'll start rehearsing. Every year I forget how hard it is to get into so many so different polyphonic worlds and to make sense of even so many different idioms and particularities. But it wil be fine! Very fine even! Apart from the inevitable Clemens/Crequillon stuff this year we're featuring music by 'exotic' masters as Franciscus IJsenbaert and Goessen Jonckers. Recording end of this month, release in May.

LKB bij Casa Luna

18 mei 2012

Zo, dat viel nog niet mee, om à l' improviste midden in de nacht het verschil tussen polyfoon en polyfonie uitleggen op de vaderlandsche radio. (Casa Luna, Radio 1). En wat moet je zeggen tegen een beller die vindt dat Lupi geen polyfonie is, en een andere beller die zo wanhopig op zoek is naar haar cantus firmus. Nochtans waren het twee zeer aangename nachtelijke uren die ik met La Van der Weij mocht doorbrengen. Ik zou al dolblij zijn als we met deze uitzending gewijd aan de Koorboeken 1 % van de circa 250000 radio gekluisterde nachtbrakers zouden hebben kunnen overhalen om naar de concerten te komen!CASA LUNA

Dinsdag 1 februari 2011


punctum_en_virgaDe eerste repetitieweek zit er op. We hebben een week nodig gehad om al het repertoire dat we willen opnemen aandachtig en met zorg door te zingen. Zelfs na al het voorwerk en na alle checks kwamen we hier en daar nog vreemde dingen tegen zoals verkeerde of vreemde noten en onlogische tekstplaatsingen. Maar het was een vreugde om weer met zo’n mooie groep competente zangers aan deze heerlijke muziek te werken. Iedereen is erg gemotiveerd en blij en trots van dit project deel uit te mogen maken. Ook het zingen van de gregoriaanse hymnen was een bijzondere ervaring nu we besloten hebben de punctusnootjes uit het cantuale (zie het blog bericht van 22 december) als een relatief lange noot ten opzichte van de virga-nootjes te zingen. Matthew Vine, onze ‘vaste’ engelse gasttenor heeft goed werk geleverd bij de lectuur van dit gregoriaans en het al voor elkaar gekregen dat dit stelletje ‘ongeregeld’ (qua gregoriaans-zang) al als een heuse schola gaat klinken, licht, helder en devoot.


Bij de polyfone stukken bleken de gedoodverfde topstukken inderdaad top te zijn, maar er waren ook zeer aangename klankverrassingen zoals het anonieme ave maris stella, en het relatief onbekende Richafort motet ‘Ego sum qui sum’.
Slechts één werk is niet door de ‘ballotage’ gekomen, de anonieme zetting van de hymne “Veni creator spiritus”, maar daar hebben we een prachtig zesstemmig motet van Philippe Verdelot voor in de plaats gezet: “Sancta Maria virgo virginem”. Smullen.

 

 

Maandagavond 4 januari 2011

Ik zit gebogen over de partituren die ik van de stukken uit Codex B heb gemaakt. Naast mij ligt een bonte verzameling potloden, gum en typexx. Over twee weken beginnen de repetities. It geet oan. Ik ken de stukken door alle voorbereidingen al vrij goed maar toch, ik had het al voorspeld, veranderen ze al studerende nog telkens. Hier een essentiële ficta over het hoofd gezien, daar hoofdschuddend toch in Anthonius grillen ingegrepen, het stille, eenzame werk in een studeerkamer: keuzes maken, twijfelen, nog eens de bron controleren en beturen, tobben, wikken en wegen, maar hoe dan ook; genieten!

Wat een pracht. Wat wordt het mooi!

Donderdag 23 december 2010

Je bent eigenlijk nooit klaar met een klus als deze. Het is nachtwerk geworden met dat gregoriaans. Eerst heb ik me vertrouwd moeten maken met het ietwat, althans voor mij, ongebruikelijke hoefnagelschrift. Maar met mail-hulp van de deskundige Geert Maessen ben ik toch een eind gekomen en heb alle gregoriaanse probleemplaatsen kunnen oplossen. Zelfs nu de partituren klaar liggen om gekopieerd en verzonden te worden blijf ik nog schaven. Hier toch maar een ficta, daar toch nog een laatste verbetering, en hé klopt dat wel? Even checken.

Morgen gaan de partituren naar de kopieerwinkel, na de kerst gaan ze op de post. Ik weet nu al dat voor we er half januari aan beginnen te repeteren dat ik nog weer veel zal hebben aangepast en verbeterd. Work in progress, heerlijk. Leidse Koorboeken en geen einde. 

 

Woensdag 22 december 2010

Het  Cantuale iuxta usum Leidanae ecclesiae D. Petri, ut nunquam antehac typis excusum, ita variis responsoriis, antiphonis, hymnis, aliisque sacris cantionibus, quas vel chori usus vel commoditas desiderare posset, refertum, zoals de volledige titel luidt is een ware ontdekking! Niet alleen blijken nu alle hymne melodieën te kloppen, maar ook word ik geconfronteerd met een veel soberder gregoriaanse stijl dan ik aantrof in het Liber Usualis. Wellicht stond het gregoriaans in de Pieterskerk rond 1564, het jaar waarin dit boekje in Leiden gedrukt werd, veel meer onder invloed van de inzichten van het Concilie van Trente dan wij voor mogelijk hadden gehouden. Hoe dan ook; ik heb het hele boek kunnen fotograferen en vanavond ga ik er mee aan de slag.

Hier de titelpagina en de hymne Christe qui lux es

 

cantuale_005_titel_pagina_webformaatcantuale_119e_christe_qui_lux_webformaat

 

Woensdag 15 december 2011

Omdat we in de editie van Leidse Koorboeken 2 nogal veel hymnen voor de zogeheten kleine getijden zingen, alsmede een aantal Magnificats, is het van belang het goede, bijpassende gregoriaans te kiezen en te vinden. Bij de samenstelling van de partituren kwam ik er achter dat de in de polyfonie verstopte cantus firmus van sommige hymnen helemaal niet correspondeert met die welke nu bij die hymne in het Liber Usualis of Graduale staat. Hoe kan dat? Nog maar weer eens de doctoraal scriptie van Eric Jas er op nagelezen. Ik vind een voetnoot waar ik altijd overheen gelezen heb. Een belangrijke voetnoot, want daarin staat dat in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag een exemplaar wordt bewaard van een ‘Cantuale’ uit 1564 waarin gregoriaans staat opgetekend dat in die dagen in de Leidse Pieterskerk werd gezongen. Ik heb ogenblikkelijk een afspraak gemaakt met de afdeling bijzondere collecties, volgende week zal ik het zien. Ik mag alles fotograferen!

 

Dinsdag 23 november 2010

Gisterenavond tot diep in de nacht overleg gehad over de Leidse koorboeken en ons project met meester Paul van Nevel. Het was, zoals te verwachten, een fors gesprek. Paul had vele kritische, maar opbouwende opmerkingen. Op één punt verschilden wij volledig van mening. Hij vond dat we slechts de absolute topstukken, de geniaalste en beste stukken moesten uitvoeren en opnemen uit de koorboeken. Ik wil echter een tijdsbeeld geven, een tot klinken gebrachte documentatie van het Leidse Getijdencollege bedrijf. Daarin horen mijns inziens ook de kleinere, minder bevlogen, vaak locale of anonieme werken thuis. Later bedacht ik me dat het te vergelijken was met het museum bezoek dat ik ooit bracht aan het Kimbell Art Museum in Forth Worth (Texas, USA). De collectie van dat museum is volgens een even simpel als luxueus principe opgebouwd; het museum, gefinancierd door de Texaanse oliebaronnen, kreeg het budget en de opdracht om uit elke stijlperiode louter topstukken aan te schaffen. Het gevolg is dat je na drie à vier zalen, bij ontstentenis van relativerende ‘mindere werken’ volstrekt uitgeput bent en eigenlijk niet meer verder kan noch wil kijken. Dat effect wil ik voorkomen. In ons ‘auditieve koorboeken museum’ nemen we ook de ‘kleinmeister’ op, al was het maar om de grootsheid van de ‘echte meesters’ nog beter te kunnen laten zien cq horen.

 

Maandag 15 november 2010

De klus is geklaard. Alle partituren zijn af. Het is grappig om te zien hoe je na een paar motetten alweer vertrouwd bent met de particulariteiten van kopiist Anthonius de Blauwe.

Die vertrouwdheid, en herkenning van zijn ‘stijl’ maakte het beteksten een stuk gemakkelijker dan het eerste jaar. Zelfs de stukken die in een priegelpootje zijn betekst leverden nauwelijks meer problemen op. Natuurlijk blijven er een paar gekke of opmerkelijk plaatsen over, waar ik nu door tijdsgebrek niet op in zal gaan, want de digitaal vervaardigde partituren moeten gecontroleerd, gecorrigeerd en af gemaakt worden. Later, als het weer rustiger is, meer daarover.

 

Donderdag 7 oktober 2010

Versie 14 van het repetitie en opnameschema is bereikt. Het is de hele week al nachtwerk geworden, maar het eind is nu in zicht. Ik geef het U te doen om 15 drukbezette zangers in een rooster-gareel te passen en te wringen. Tussen al dat gereken en geschuif ben ik toch aan het leukste en spannendste werk van de Koorboeken verder gegaan: het beteksten en in definitieve partituur brengen. De eerste drie grote motetten van de cd in wording zijn inmiddels klaar: De “In nomine” van Hollander, het anonieme “Angelus domini” en het prachtige vierstemmige motet “Heu miser” van Clemens non Papa. Natuurlijk heb ik de dankbaar gebruik gemaakt van de editie van Prof. Bernet Kempers in de Corpus Mensurabilus Musicus. Maar eens te meer blijkt het belang om niets ‘for granted” aan te nemen. De editie van de professor, althans van dit motet, is tot stand gekomen op basis van een kritische lezing van verschillende, voorhanden zijnde concordante drukken en manuscripten. In het geval van ‘Heu mihi’ zijn dat drie manuscripten (inclusief Leiden) en vier drukken. Het spreekt vanzelf dat ik natuurlijk Bernet Kempers editie terug retoucheer naar wat een afspiegeling is van de Leidse versie. (Ook al omdat er ondanks het eminente werk van Bernet Kempers tóch nog foute nootjes in staan.) Opmerkelijk genoeg komt de beteksting vrijwel geheel overeen met Codex B, wat pleit voor de nauwkeurigheid van de Leidse kopiist. Er zijn echter hier en daar relatief grote verschillen qua notenmateriaal te vinden. In het Leidse koorboek worden sommige cadensen smaakvol geornamenteerd. Die versieringen staan niet in CMM. Nuttig en zeer bevredigend onderzoek dus.Hieronder een voorbeeldje van zo’n ‘retouche’.

 

heu_miser_retouche_001k

 

Dit project wordt mede mogelijk gemaakt door:

 

1-leiden 2-leiden-stad  4-RAL 5-FPK10-Leiden50jaarMonumentenstad_50  cultuurfonds_horizontaal_kleur  max

6-stedelijk-Museum-Leiden 7-cultuurfonds-leiden8-KRO  vsbfonds_rgb