boek
 x 
icon_twicon_fbicon_yt
09.jpg
Filips II in Brussel 1549

Het eerste koorboek, officieel ms. 1438 geheten en in het gebruik codex A genoemd. Het is vervaardigd in 1549, het jaar waarin Filips II, de zoon van Karel V, onze latere ‘coninck van Hispanien’ een rondreis door de Nederlanden maakte om zich aan zijn aanstaande onderdanen voor te stellen. Zijn vader kon hem vanwege hevige jichtaanvallen niet vergezellen en moest in Brussel blijven. De beroemde kapel van zijn vader ging wel mee. De zangmeester daarvan was Thomas Crecquillon. Zijn composities waren geliefd en zeer verbreid, maar in het eerste Leidse Koorboek is zijn aanwezigheid, met niet minder dan achttien composities, wel erg dominant.

 

 

w 014 index A

Het is verleidelijk om te fantaseren of de directe aanwezigheid van Karel's koor daarmee te maken zou kunnen hebben. Filips II reisde in de periode van 26 tot 30 september van Dordrecht, via Rotterdam en Den Haag naar Haarlem. Crecquillon schreef rijke, uiterst ingenieuze, klankvolle en solide composities, met hier en daar de karakteristieke melancholische klankkleur waar de keizer (volgens de overlevering) zo’n voorliefde voor had.

 

 

w 015 de monte

Naast Crecquillon is ook Joachimus de Monte opvallend aanwezig, van wie niet meer bekend is dan dat hij in de jaren 1553-54 als tenor werkzaam was in de Nieuwe kerk te Delft. Mogelijk is hij ook enige tijd in de Leidse Pieterskerk actief geweest. In de Leidse Koorboeken zijn tien composities onder zijn naam zijn bewaard gebleven. De Monte is qua klankkleur het tegendeel van Crecquillon. Zijn composities zijn licht en eenvoudig van opzet en hebben door de vele alleluia’s een feestelijk en aanstekelijk karakter.

 

 

Het koorboek bestaat uit twee delen. Het eerste en uitgebreidste deel bestaat uit vier-, vijf- en zesstemmige motetten. De Leidse zangers noemden het dan ook ‘het motetboek’. De allereerste compositie die we in het boek aantreffen is het motet ‘Peccata mea domine’ van Johannes Cleeff, die vermoedelijk uit het Duitse Kleve afkomstig was maar in het midden van de zestiende eeuw vermoedelijk in de Nederlanden werkzaam was. Een van de meest verspreide motetten van de zestiende eeuw, ‘Quem dicunt homines’ van Johannes Richafort, staat ook in dit eerste koorboek. Het is ongetwijfeld zo wijd verbreid omdat het over Petrus (Pieter) gaat en dus in de vele Europese Pieterskerken goed te pas kwam. Het tweede deel bevat vier missen. De eerste mis, de ‘Missa beati omnes’, is van de eerste kapelmeester van Karel V, Nicolas Gombert. Men zou hem de ‘godfather’ van de typisch Habsburgse polyfone klankwereld kunnen noemen, die diep, rijk en schoon is, en voorzien van eindeloos in elkaar grijpende lijnen en motieven. De laatste mis in het koorboek is een anoniem overgeleverde zesstemmige ‘Missa Sancta Maria’. Maar anoniem wil niet zeggen minder in kwaliteit. Integendeel. Dit indrukwekkende en monumentale meesterwerk is een waardige en fantastische afsluiting van het pronkboek van de zes koorboeken uit Leiden.

 

Dit project wordt mede mogelijk gemaakt door:

 

1-leiden 2-leiden-stad  4-RAL 5-FPK10-Leiden50jaarMonumentenstad_50  cultuurfonds_horizontaal_kleur  max

6-stedelijk-Museum-Leiden 7-cultuurfonds-leiden8-KRO  vsbfonds_rgb