boek
 x 
icon_twicon_fbicon_yt
09.jpg
w001nieuw

Het zevenmaal op vaste tijden zingen van Gods lof, door een zangersgroep die niet aan een klooster, maar aan de grootste en meest representatieve kerk van de stad was verbonden, was een prestigezaak voor elke zichzelf respecterende stad in de Noordelijke Nederlanden. Tweeëntwintig steden, van het machtige Amsterdam tot het kleine Oudewater, hadden zulke zeven-getijdencolleges. De meeste getijden werden gregoriaans gezongen, maar tijdens de mis en het lof moest er meerstemmige muziek, polyfonie, klinken.

 

Klik op de <<= kaart voor een duidelijker overzicht.

 

W 002 leiden 1573 braun_hogenberg_II_25_b

Deze muziek werd met de hand opgetekend en bewaard in kostbare koorboeken van aanzienlijk formaat (60 x 40 cm en 15,5 kg per boek).  De boeken waren zo groot omdat alle zangers uit hetzelfde boek moesten zingen, dat hoog op een lessenaar stond. Er moeten honderden van zulke boeken in de zestiende eeuwse Nederlanden zijn geweest. Toch hebben slechts zes van die boeken de tand des tijds doorstaan, namelijk de koorboeken van de Leidse Pieterskerk, toevallig ook het oudste zeven-getijden college van Nederland.

 

 

 

Een unieke verzameling.

 

W 003 boeken

De Leidse Koorboeken vormen samen een derde van het totaal aantal bewaard gebleven Franco-Vlaamse koorboeken uit de periode 1540-1560! Dat maakt de boeken uniek, ook al omdat zij de enig overgebleven getuige zijn van het repertoire waarover een Hollands getijdencollege halverwege de 16e eeuw kon beschikken. Slechts de beste componisten waren goed genoeg: Josquin des Prez en Clemens non Papa bijvoorbeeld en Thomas Crecquillon, de hofcomponist van keizer Karel V. De pure pracht die deze heren schreven, de eindeloze, in de ruimte drijvende muzieklijnen, het afwisselend elegante en stoere weefsel van mannen- en jongensstemmen dat engelenkoren wilde imiteren, kan men zonder overdrijving ‘de sound van de de Nederlanden’ noemen.

 

 

Van wanneer dateren de boeken?

 

W 004 colophon A

De eerste drie boeken hebben een colofon waaruit blijkt dat ze in de jaren 1549 en 1559 werden geschreven door kopiist Anthonius de Blauwe. Wanneer en door wie de drie overige boeken zijn geschreven is niet bekend. In die boeken ontbreekt het colofon. Op grond van watermerken en musicologisch onderzoek veronderstelt men dat zij in de jaren 1565-1567  gemaakt zijn en deels uit het atelier van De Blauwe afkomstig zijn.

 

 

De reformatie

 

W 005 beeldenstorm

Vanaf half augustus 1566 woedde in de Nederlanden de beruchte Beeldenstorm. De burgemeesters van de Leiden hadden, veront­rust door berichten uit andere steden, op zondag 25 augustus een vergade­ring belegd. De kosters van de drie Leidse kerken kregen opdracht de deuren van de godshui­zen gesloten te houden. De Leidse schutterij werd bereid gevonden de kerken te bewaken. Ondanks deze voor­zorgsmaatrege­len drongen de beeldenstormers in de nacht van 25 op 26 augustus de O.L.–Vrouwekerk binnen. Later op de dag viel ook de Pieterskerk aan de menigte ten prooi. Altaren werden geschonden en de marmeren beelden van de twaalf apostelen aan de pilaren van het koor werden vernield. De deur van de sacristie kregen de stormers echter niet opengebroken. Tot de belangrijkste kerkgoederen die deze twee turbulente dagen hebben overleefd, konden ook de koorboeken worden gerekend.

Na de gebeurtenissen in augustus werden de kerken in Leiden veiligheidshalve gesloten. Het zevengetijdencollege werd op non-actief gesteld. Pas in november is de rust hersteld en hervatten de zangers hun bedrijf. De reformatie schrijdt echter voort en op 7 juli 1572 sluiten de hervormden opnieuw de Leidse kerken. Vanaf dat moment waren katholieke diensten verboden. Het getijdencollege werd ontbonden en de zangers ontslagen. Enkele van de getijdenmeesters of zangers lijken zich om het lot van de koorboeken te hebben bekommerd. Zij droegen de manuscripten over aan het stadsbestuur van Leiden. Op 5 oktober 1572 vond de eerste protestantse godsdienstoefening plaats in de Pieterskerk. Op last van de Staten van Holland werden de oude kerkelijke bezittingen onder toezicht van het gerecht gesteld. In 1578 benaderde ‘de broederschap ende gemene vergaderinge der gheenen die inder musijcken hier binnen der stede van leijden versamet zijn’ de stedelijke overheid. De broederschap verzoekt de overheid gebruik te maken van de koorboeken. Van de boeken was immers geen profijt meer te verwachten en zij lagen slechts ‘te verderven, vermuuteren ende verrotten’. Het stadsbestuur ging akkoord, op voorwaarde dat de boeken geïnventariseerd werden. Dat gebeurde in december van dat jaar.

 

 

De boeken worden opgeborgen

 

W 007 quem dicunt

Juni 1597 liet men een grote houten kist maken waarin acht koorboeken werden opgeborgen. De kist kreeg een plaats in de curatorenkamer van het stadhuis en de sleutel ervan kwam in bewaring bij de stadssecretaris Jan van Hout. Ondanks die beveiliging verdwenen er van deze acht twee: een koorboek uit 1550 en een misboek uit 1540 met vier missen en een passie. Beide zijn van de hand van Anthonius de Blauwe.

De eerstvolgende vermelding vinden we pas weer in 1876, als de koorboeken worden overgebracht van het gemeentehuis naar het Stedelijk Museum De Lakenhal, alwaar ze permanent werden tentoongesteld. In 1931 was het museum zó gegroeid dat ze die geweldige boeken niet meer allemaal konden huisvesten. Vijf manuscripten werden overgebracht naar het gemeentearchief, waar ze nu nog steeds bewaard worden. Eén manuscript – boek C uit 1559 – is nog altijd te zien in De Lakenhal.

 

Dit project wordt mede mogelijk gemaakt door:

 

1-leiden 2-leiden-stad  4-RAL 5-FPK10-Leiden50jaarMonumentenstad_50  cultuurfonds_horizontaal_kleur  max

6-stedelijk-Museum-Leiden 7-cultuurfonds-leiden8-KRO  vsbfonds_rgb